Uit de manke jager36
Het vertrouwde ritme
Enkel naar waar
we niet gelukkig waren
willen wij niet terugkeren.
Maar toch, toch...
Toch blijft de zon
altijd vragen waar wij
zijn als ze ons niet ziet,
op die plaats.
Op die plaats waar
wij geboren waren, en
zij voor het eerst krijsend
onze ogen raakte.
Dit zou onze plaats
zijn op aarde. Daar kwam
zij op, en daar zou zij onder-
gaan vanavond.
De maan en de
sterren waakten over ons,
en deed honden blaffen als
er gevaar bestond.
De eb en de
vloed, het vertrouwde
ritme. Steeds hetzelfde,
en altijd anders.
De sneeuw die valt,
het gras dat groeit, het
vallen van de bladeren.
De naakte bomen.
De zekerheid van
het leven was een feit.
Alles leefde, het ene dier
vrat het andere op.
Men deed als men
moest doen, en men deed.
Niets was te veel, niets
was te weinig.
Wij leefden ongestoord, de vraag werd niet gesteld waarom de sterren er waren.