diepblauw glijden voormiddagen aan oevers voorbij fluisteren windwoorden over koperkleurig water gedragen door de stroom vergetelheid in warme schaduw zijn regentrommels alleen maar in de verte hoorbare echo’s over boomtoppen stap je door hapergaten eigen adem volgend en woorden schandelijk stil vind je weer ongelofelijke gebeurtenissen afgelegde wensen verloren gegane hoop
het droeve voegt zich bij ‘t vertrouwde ik vervolg mijn weg door vergrijzende middaguren langs hellingen rode pioenrozen dragen bomen diepgroene hoeven over ruwe huid slijpt water kiezelstenen van gisteren zonder onderbreking groeit tussen twee de stam in het nat en het verlangen naar mateloos lieven.